Wakker liggen van de blaffende hond van de buurman, onenigheid over een camera die verkeerd gericht staat, of hinderlijke stank door ophopend afval in de gang. Burenruzies zijn al jaren een aanzienlijk probleem in Nederland. Ze worden ook steeds complexer, omdat overlastgevers vaak meerdere problemen hebben. Dat vraagt om een goede samenwerking tussen tal van instanties essentieel. Ondertussen weten geplaagde buren zich geen raad. ‘Een melding maken? Dat werkt toch niet.’
ZWOLLE — “Wat zeg je? Ik hoor je wel, maar ik versta je niet. Je moet echt hard schreeuwen.” De vrouwenstem uit de ring-deurbel kaatst hol tegen de binnenkant van het portiek, en antwoordt na een paar seconden stilte pas weer. “Last van de buren? Nee, gelukkig niet. Ik ben al een paar maanden in Spanje, dus ik heb geen idee wat daar allemaal gebeurt.”
Verderop raast een scooter voorbij, dan is het weer stil. “Daarvoor?” Het elektronische oog hapert. “Daarvoor hoorde ik regelmatig geschreeuw, of keiharde muziek. Hardstyle, denk ik. Maar ik probeer het te negeren.” In de gang staan dozen opgestapeld tegen de muur. Op de deurmat ligt een stapel brieven. De deurbel stottert weer. Van ver weg klinkt: “Een melding maken werkt toch niet.”
Van buitenaf is het naastgelegen pand, middenin de rij jaren 30-huizen in Zwolle, niet als overlastpand te herkennen. Het heeft een identieke bouwstijl als het studentenhuis ernaast, in de gang staat vrijwel geen rotzooi. Inmiddels is van illegale activiteiten geen sprake meer, maar wie van dichtbij kijkt ziet de verschillen: er is geen deurbel, de meeste ramen zijn afgeplakt. regelmatig klinkt er luide muziek diep uit de woning. Dit pand, midden tussen andere (studenten)huizen, is een zorgwoning.
In het huis schuin tegenover het pand staat een andere student met voetbalshirt en korte broek in de deuropening te roken. Hij komt relaxed over, maar houdt ondertussen het huis van zijn overbuur met een schuin oog in de gaten. Hij neemt een hijs van zijn sigaret. “We hebben het wel in het nieuws zien staan, ja.” Met zijn ene hand tikt hij wat as weg, met de andere krabt hij aan zijn voorhoofd. “Voor zover ik weet hebben wij er nog geen last van gehad. Maar ik zou er niet naast willen wonen.”
Pogingen om de buren direct aan te spreken op hun gedrag mislukken, en instanties werken ook niet mee. De politie verwijst door naar de woningcorporatie, en de woningcorporatie naar de begeleiders van de zorgorganisatie, die vervolgens de politie weer inlichten.
In 2021 besloot een grote vastgoedondernemer het studentenhuis in deze rustige straat om te bouwen naar een bestemming voor vier cliënten van een zorgorganisatie die er begeleid kunnen wonen. Alle studenten moesten het pand verlaten, de kamers werden omgetoverd tot aparte woonruimtes, compleet met eigen wc, wastafel en keuken.
Al snel maakten omwonenden zich zorgen: is het eigenlijk wel wenselijk om dit pand, oorspronkelijk alleen bedoeld voor kamerverhuur en middenin een rustige volkswijk in Zwolle, om te bouwen naar vier zelfstandige woningen?
De zorgen van de buurt bleken terecht: binnen twee jaar na de verbouwing stond het huis overal in de wijk bekend als ‘overlastpand’. Maar het ging niet alleen om harde muziek; ook om wapenbezit, drugshandel, en prostitutie. Van ‘begeleid’ wonen bleek dan al niet veel sprake meer in het pand.
Er bleken namelijk niet vier, maar zeven personen ongecontroleerd in het huis te wonen. Éen van de bewoners moest de woning verlaten, met de hoop dat de overlast daardoor af zou nemen. Maar ondanks de maatregelen is het overlastpand ruim drie jaar later een welbekend begrip in de straat, vooral bij de buren.
—
De woonoverlast in Zwolle staat niet op zichzelf. Tijdens de coronapandemie is het aantal meldingen van woonoverlast bij de politie met bijna 60% toegenomen: van 337.000 meldingen in 2019 naar 536.000 meldingen in 2021. Door de enorme toename aan thuiswerkenden, en tegelijkertijd de afname van de hoeveelheid geluid op straat, is de hoeveelheid meldingen van geluidsoverlast in coronatijd zelfs bijna verdubbeld; van 113.000 naar 200.000.
Hoewel het aantal geluidsoverlastmeldingen inmiddels weer is gekelderd, zijn de cijfers van woonoverlast nooit gestabiliseerd tot het niveau van voor de coronatijd. Er is de afgelopen drie jaar zelfs weer een lichte toename in het aantal meldingen te zien.
Tegelijkertijd verandert de omgeving waarin burenruzies ontstaan. Door de toenemende druk op de woningmarkt en de verdichting van woonwijken (mensen die steeds dichter op elkaar leven) komen verschillende woonvormen pal naast elkaar te liggen. Huurhuizen naast koophuizen, zorgwoningen naast studentenhuizen.
“Ik vind dat mensen die problemen hebben met de buren ook zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun gedrag”
Wie eenmaal te maken heeft met woonoverlast, kan bij tientallen organisaties terecht, afhankelijk van hoe ver het conflict is geëscaleerd (door aanpakkers van woonoverlast vaak de ‘escalatieladder’ genoemd). De gemeente, de politie, maar ook woningcorporaties, wijkregisseurs, de Vereniging van Eigenaren, zorgbegeleiders, of zelfs een rechter kunnen allemaal deels verantwoordelijk zijn voor het effectief en efficiënt oplossen van burenruzies.
Een tree helemaal onderaan de ladder die soms vergeten wordt, maar erg effectief blijkt, is de inzet van buurtbemiddeling. Kees van Schaik is al vier jaar actief als buurtbemiddelaar in zijn woonplaats, Almelo. Hij is betrokken geweest bij meer dan 50 verschillende burenconflicten, van vervuiling door duiven tot buren met heftige psychische problemen.
“Die duivenmelker vind ik toch wel het meest fascinerende verhaal tot nu toe.” Kees van Schaik gebaart naar de dakgoot van zijn vrijstaande huis in Almelo. In zijn ruime achtertuin is het, op het geraas van wat auto’s op de snelweg in de verte, stil. “Je ziet het helemaal voor je, een oudere man die last heeft van zijn buurman, omdat er continu duiven vanaf zijn dakgoot zitten te schijten.”
Buurtbemiddelaars zijn vrijwilligers die een speciale training hebben gevolgd om conflict tussen buren te verhelpen. Omdat ze op een laagdrempelige manier geraadpleegd kunnen worden, en makkelijk contact kunnen leggen met beide buren, zijn ze ook een handige tool voor veel andere instanties op de ladder. Ze worden bijvoorbeeld vaak ingezet door woningcorporaties, politie en de gemeente.
Inmiddels is in 315 van de 355 Nederlandse gemeenten een buurtbemiddelingsorganisatie aanwezig. In steden en wijken waar buurtbemiddeling wordt ingezet is ze erg effectief: bij 75 tot 80% van alle burenruzies blijkt buurtbemiddeling doeltreffend te zijn.
“Ik heb altijd al gewerkt in het onderwijs en in de zorghulpverlening, toen ik met pensioen ging was ik ineens zoekende naar iets om te doen”, vertelt Van Schaik. Via een vriend, die in Bilthoven actief is als buurtbemiddelaar, rolt hij in het proces. “Ik heb het altijd al leuk gevonden om bij verschillende organisaties in de keuken te kijken, en om bij mensen thuis te komen, plekken waar je anders nooit komt.”
De coördinator van de vrijwillige buurtbemiddelaars kan via allerlei verschillende kanalen een overlastmelding binnenkrijgen, soms een telefoontje van de persoon zelf, op andere momenten komen klachten binnen via de woonstichting, of krijgen ze advies van de politie. “Het eerste wat wij doen is bellen naar degene die overlast heeft, diegene noemen we buurman A.”
Van Schaik legt een verkreukeld formulier op de houten tuintafel. Zodra er contact met buurman A is gelegd, werkt Van Schaik, net als al zijn collega’s bij Buurtbemiddeling Almelo, volgens een vaste aanpak. Op het formulier staan vragen die een buurtbemiddelaar moet stellen, voordat er een fysiek gesprek met buurman B (de ‘overlastgever’) plaatsvindt.
Vindt de overlast plaats in een koophuis of in een huurhuis? Is er sprake van drugsgebruik? Psychiatrische problematiek? Geweld? Wat verwacht buur A van buurtbemiddeling? Hoelang duurt het conflict al? “We brengen altijd in kaart wie de persoon die overlast ervaart is, en waar het zich afspeelt, dat doen we ook zodat we later een overzicht hebben waar de meeste overlast voorkomt.”
Het aantal burenruzies neemt niet alleen toe, ze worden ook nog eens steeds ingewikkelder om op te lossen. Waar een burenruzie vroeger vaak draaide om één conflict – een tak die over de schutting van de buren groeit, of een parkeerplek die onnodig lang bezet blijft – lopen tegenwoordig vaker meerdere problemen kriskras door elkaar: geluidsoverlast gaat samen met psychische problemen, vervuiling gaat samen met verslaving.
Volgens het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) kwamen er in 2025 landelijk zo’n 20.000 meldingen binnen van burenruzies. 30% daarvan waren volgens het CCV ‘complexe’ meldingen, een toename van 9% ten opzichte van vijf jaar geleden. Die toenemende complexiteit van burenruzies zorgt voor nieuwe uitdagingen.
“Ik kom regelmatig in aanraking met verwarde personen tijdens het bemiddelen”, vertelt Van Schaik. Voor hij het onderwijs in ging, was hij psychiatrisch verpleegkundige en creatief therapeut, maar als buurtbemiddelaar wil en mag hij expliciet geen hulpverlening bieden. “Ik vind het altijd lastig om een gesprek te hebben waar een begeleider bij zit. Ze spelen verder geen rol in het gesprek, maar ik vind dat mensen die problemen hebben met de buren ook zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun gedrag, dat moet een begeleider niet voor hen gaan oplossen.”
“Daar komt ook wel wat irritatie uit mijn hulpverleningsachtergrond naar boven.” Van Schaik lacht. “Ik denk dan: wat hebben jullie hier zelf al aan gedaan? Ik ken die wereld een beetje: niet elke begeleider heeft zin om hun cliënt verantwoordelijk te maken voor een goede leefomgeving.”
Irritaties over een brommende warmtepomp of schreeuwende kinderen beginnen vaak klein, maar wie als buurtbemiddelaar wil ondersteunen en de lagen van het conflict afpelt, stuit vrijwel altijd op onderliggende problemen: huizen waar te veel mensen wonen, buren met psychische problemen die slecht of niet aanspreekbaar zijn, of conflicten tussen buren die de Nederlandse taal niet goed beheersen.
Nog voor de buurtbemiddelaars in tweetallen op locatie verschijnen, moeten ze rekening houden met dit soort ‘complicerende’ factoren. “We kijken altijd of dit een aanvraag is waar wij de middelen voor hebben”, vertelt Van Schaik. “Bijvoorbeeld of er een tolk nodig is, omdat de buren geen Nederlands spreken. En of het gaat om een enkelvoudig conflict met alleen buurman of buurvrouw, of dat het gaat om de hele straat. Soms moeten we doorverwijzen naar een andere instantie, bijvoorbeeld als er sprake is van geweld.”
“De hele sociale psychiatrie is aan het veranderen, en tegelijkertijd kunnen een hoop mensen niet meer meekomen: de wereld is te snel geworden.” Van Schaik noemt als voorbeeld een casus van iemand die al 40 jaar in zijn huis woonde, en plots een jong stel als buren kreeg met andere normen en waarden. Dat zorgde voor de oudere buurman voor veel irritatie. “Mensen vinden dat ze vanuit hun jarenlange woonhistorie een bepaald soort aanzien hebben, en bepaalde rechten, die nieuwe bewoners volgens hen niet hebben omdat ze maar net komen kijken.”
“Het is voor ons zoeken hoe wij de methodiek aan kunnen passen aan de moderne tijd”
Susan de Krosse, coördinator buurtbemiddeling in Almelo, kan het voorbeeld van haar vrijwilliger beamen. De manier waarop buren elkaar onderling aanspreken is volgens haar in de loop der jaren flink veranderd. “Mensen zijn niet meer gewend om met elkaar in gesprek te gaan. Ze sturen elkaar sneller een appje dan dat ze met elkaar op de koffie gaan.”
Volgens de Krosse heeft dit ook invloed op de rol van de buurtbemiddelaar in een wijk. “Wij sturen zelf tegenwoordig ook sneller een appje dan dat we fysiek langskomen”, legt ze aan de telefoon uit. “Het is voor ons zoeken hoe wij de methodiek trouw kunnen blijven, en die aan kunnen passen aan de moderne tijd.”
Zo is de ‘overvalmethode’, waarbij twee buurtbemiddelaars bij beide buren aanbellen, niet meer zo vanzelfsprekend als een paar jaar terug. “We merken dat bijna alle bemiddelaars moeite hebben met dat deel van de methodiek”, vertelt Anouk Junius, coördinator buurtbemiddeling Groningen in haar werkkamer. “Nu we al die coronajaren achter de rug hebben, zit de wereld anders in elkaar. Mijn bemiddelaars voelen zich er niet meer oké bij om zomaar bij iemand aan te bellen.”
Om zich aan te kunnen passen aan de huidige tijdsgeest, moeten vrijwillige buurtbemiddelaars hun formule constant veranderen. Zo is Junius in haar wijken in Groningen gestart met brieven sturen naar buren in conflict. In plaats van direct het contact op te zoeken met de overlastgever, sturen ze hen eerst een folder met informatie. “Dat is voor nu een pilotfase, we sturen een brief en vragen of de buren binnen twee weken contact met ons op willen nemen”, vertelt Junius.
Voor haar op tafel ligt het Cursusboek Basistraining Buurtbemiddeling, een handboek vol theorie die voor alle buurtbemiddelingstrainingen in de omgeving gebruikt wordt. “Maar een training tot buurtbemiddelaar is verre van theoretisch. Ik ga dit tijdens de training niet allemaal doorjakkeren”, zegt ze lachend. “Voor mij is het belangrijk om te weten: kan iemand een goed gesprek voeren? Daarom doen we veel rollenspellen, zodat we mensen een beetje naar hun eigen gespreksstijl laten kijken.”
Junius stuurt streng op haar groepen van zeven à acht bemiddelaars, maar volgens haar is dat niet zonder reden. “Ik ben van mening dat buurtbemiddeling iets is waar je hele goede dingen mee kan doen”, ze leunt naar voren in haar bureaustoel. “Maar je kunt mensen er ook verder mee in de penarie helpen als je het niet goed doet. Als wij ze ergens op af sturen moeten we er wel een goed gevoel bij hebben.”
Soms is dat ook niet het geval, bijvoorbeeld als een buurtbemiddelaar zijn eigen plan trekt. “Mensen hebben weleens gedacht: ik stap zelf wel op ze af, of ik bel zelf de politie. Dat is lief bedacht, maar daarmee gaan ze echt buiten hun boekje. En als het dan uit de hand loopt kun je er als vrijwillig coördinator niet veel mee.”
—
Tijdens de provincie-overleggen, waar Junius vanuit Groningen al jaren deel van uitmaakt, vindt veel informatie-uitwisseling plaats. “We hebben drie keer per jaar regionaal overleg tussen Groningen, Friesland en Drenthe. Maar dat doen we tegenwoordig allemaal online, zoveel buurtbemiddelaars krijg je onmogelijk bij elkaar.”
Tijdens de overleggen delen coördinatoren methodes met elkaar die goed zouden kunnen werken. Zo is recentelijk nog een idee uit Friesland overgewaaid naar Groningen. “We hebben een tijdje pendelbemiddelingen onderzocht: een methode waarbij je zelf als bemiddelaar heen en weer gaat tussen buurman A en B. De eindconclusie daarvan was: je bent meer een postduif dan een bemiddelaar, maar we nemen dat soort ideeën altijd wel onder de loep.”
Omdat elke gemeente haar eigen organisaties heeft vanwaaruit buurtbemiddelaars opereren, en er weinig overkoepelende richtlijnen zijn, verschilt de werkwijze van de instanties per gemeente. Zo heeft Amsterdam een ‘treiteraanpak’ tegen intimidatie in de woonomgeving, en maakt gemeente Hoogeveen gebruik van een Team Ernstige Overlast (TEO) voor snelle interventies bij heftige overlast.
Er zijn volgens Junius meer van dit soort initiatieven die landelijk ingevoerd zouden kunnen worden. “We maakten heel lang gebruik van de standaardmethodiek, maar sinds de afgelopen jaren is geen enkele bemiddeling meer standaard.” Om die reden is in 2018 Buurtbemiddeling+ ontwikkeld, een methode die zich met extra tussenstappen specifiek richt op kwetsbare bewoners.
Zo wordt in het stappenplan beschreven hoe om te gaan met kwetsbare buren zonder begeleider, en hoe buurtbemiddelaars moeten ingrijpen bij ‘lastig’ gedrag van beide partijen. Ook buurtbemiddeling+ heeft grenzen, bijvoorbeeld als er sprake is van geweld of bij lopende rechtsprocedures.
Volgens Junius werkte de methode destijds zo goed dat hij inmiddels niet meer is weg te denken uit het hedendaagse playbook van de bemiddelaar in Groningen en omgeving. Toch wordt de methode nog niet in heel Nederland toegepast. “Er wordt ook wel landelijk gevraagd om kwetsbare groepen standaard op te nemen”, vult Junius aan. “Maar zo uitgebreid als ik dat doe, daar ben ik de enige in.”
Veel animo voor landelijke samenwerking vanuit de vrijwillige buurtbemiddelaars is er momenteel niet. “Ik heb heel lang in de landelijke vertegenwoordiging gezeten.Ik ben daar uitgestapt omdat ik de enige was die me op die manier inzette: ik wilde dat andere coördinatoren zich ook landelijk gingen positioneren, maar veel coördinatoren hebben maar acht uur in de week tijd. Die kunnen dat er niet zomaar bij doen.”
Hoewel buurtbemiddeling in veel gevallen effectief is, vereist het wel dat alle partijen actief meewerken aan een oplossing voor het conflict. Daarnaast blijft buurtbemiddeling een aanbod, geen verplichting. Zodra buurman A of buurman B geen thuis geeft, stopt de bevoegdheid van de vrijwillige buurtbemiddelaar.
Daar komt bij dat buurtbemiddeling niet altijd als eerste partij geraadpleegd wordt bij een burenruzie. “Veel mensen worden aan ons bestaan herinnerd door hun woningcorporatie. Pas als ze ten einde raad zijn komen ze in dat geval bij ons terecht”, vertelt Van Schaik.
Sommigen benaderen buurtbemiddeling meerdere keren, anderen willen er niets van weten en zoeken hun heil eerder bij de gemeente of woningcorporatie. “Mensen willen van nature toch graag gelijk hebben, en het zelf oplossen. Als ze ons als buurtbemiddeling inschakelen, moeten ze zich kwetsbaar opstellen. En dat is lastig.”
Een trede op de escalatieladder die normaal gesproken pas als laatste redmiddel wordt ingezet, wordt tegenwoordig dan ook steeds vaker bereikt: de gang naar de rechter. Het aantal mensen dat juridische hulp inschakelt bij burenruzies is het afgelopen jaar toegenomen.
Zo meldt Achmea Rechtsbijstand een stijging van 6,8% aan hulpvragen over burengeschillen over 2025. “De verharding in de maatschappij speelt een belangrijke rol bij burengeschillen”, vermeldt Achmea op haar website. “Dat er minder verdraagzaamheid is naar elkaar toe merken we ook bij het oplossen van geschillen tussen buren.”
“Als je overlast op een effectieve manier wil oplossen, heb je elkaar keihard nodig”
Zodra een burenruzie buiten de macht van de vrijwillige buurtbemiddelaar komt te liggen, maar de gang naar de rechter nog te extreem is, vallen ruziënde buren vaak in een gat waar ook woningcorporaties en politie hun handen vol aan hebben. In Den Haag is daarom een samenwerking tussen de gemeente Den Haag, woningcorporaties en een breed scala aan partners in allerlei vakgebieden opgezet. De aanpak vond navolging in veel andere gemeenten.
Herman Stemfoort is Stedelijk regisseur Woonoverlast bij de gemeente Den Haag. Samen met casusregisseur Maria La Paglia is Stemfoort betrokken geweest bij de ontwikkeling van de Haagse Aanpak Woonoverlast. In een geluidsdichte vergaderruimte van het stadskantoor vertellen Stemfoort en La Paglia over het ontstaan van de aanpak. Buiten de kleine ruimte lopen mensen onhoorbaar langs. Het gifgroene tapijt in het hele kantoor wordt verlicht door de zon.
In 2007 is door de gemeente Den Haag het meld- en steunpunt woonoverlast ingericht. Het punt is destijds ontstaan om burgers te helpen, omdat de druk op woningcorporaties en handhaving te groot werd. “Bewoners van dat segment konden nergens hun ei kwijt, dus die gingen naar de politie”, legt Stemfoort uit. “Maar de politie kreeg het op die manier veel te druk, zeker als het ging om verward of onbegrepen gedrag. Daarom is het meldpunt destijds opgezet.”
In 2018 kwam er nog een bevoegdheid bij om in te grijpen bij woonoverlast: de burgemeester kan sindsdien via de Wet aanpak Woonoverlast (Waw) een gedragsaanwijzing opleggen aan bewoners die ernstige overlast veroorzaken. Bijvoorbeeld met de verplichting om hun gedrag aan te passen, of het huis in extreme gevallen te verlaten. Een systeem wat goed werkt bij extreme gevallen, vertelt Stemfoort.
Inmiddels is de groenbeklede verdieping van dit kantoor een centrale hub voor het bestrijden van overlast geworden. Door de jaren heen is een flexibele samenwerking ontstaan en een wijdvertakt netwerk van partners in zorg, begeleiding en handhaving. Er zijn speciale teams voor allerlei soorten overlast, bijvoorbeeld voor overbewoning of illegale bouwwerkzaamheden.
La Paglia gebaart naar de bureaus achterin de ruimte. “We hebben medewerkers die meldingen stap voor stap ontleden, en verrijken met de informatie die nodig is om de klacht weer door te sturen”, zegt ze. “Dat is de route die een klacht af kan leggen, maar we krijgen ze op allerlei manieren binnen: politie, zorginstanties, noem maar op. Alle meldingen tellen mee voor ons.”
—
“Den Haag is bijzonder als stad omdat ze een groot versnipperd particulier bezit heeft. Veel verhuurders zijn eigenaar van veel verschillende woningen. We huisvesten veel mensen in bijzondere situaties.” Volgens Stemfoort bemoeilijkt dit soms de weg naar een oplossing bij een burenconflict. “Als je allemaal kleine VvE’tjes hebt die soms slapend of niet-actief zijn, dan is het voor ons lastig terugvallen op afspraken die mensen in VvE-verband met elkaar hebben gemaakt.
De Vereniging van Eigenaren, een verplichte vereniging voor iedereen die in een appartement of gesplitst gebouw woont, kan in theorie veel handvatten bieden bij een burenruzie: wanneer er sprake is van (ernstige) overlast kunnen leden van een VvE bijvoorbeeld waarschuwen of boetes uitdelen. Den Haag heeft de meeste VvE’s van heel Nederland, naar schatting telt de stad er ruim 20.000.
In de praktijk blijkt de VvE echter geen effectieve bestrijder van woonoverlast. “Daar moet ik gewoon eerlijk in zijn: een VvE-beheerkantoor is vooral goed in het innen van bedragen. Technisch pakken ze ook wel vaak hun rol, met een meervoudig plan of een begroting, maar als het gaat om structureel woonoverlast hebben ze vaak geen expertise om te kunnen doorpakken.”
Wat volgens haar niet uitsluit dat voorwerk van beide buren in een ruzie nog altijd essentieel is. “We wijzen eigenaren altijd op hun verantwoordelijkheid”, vult Stemfoort aan. “Als mensen die zelf niet nemen, kunnen wij ons werk nog steeds blijven doen, wij hebben immers bevoegdheden en een breed netwerk.”
—
Voor de regisseurs van de Haagse Aanpak liggen veel uitdagingen op tafel. Zo zijn overbewoning en krapte op de huizenmarkt al jaren een terugkerend thema in Den Haag. “Als je een situatie hebt waar tien mensen in twee kamers wonen, geeft dat bijna altijd veel overlast”, zegt La Paglia. “De woningmarkt is veranderd, als je al weg wil, moet je nog eens weg zien te komen.”
Ook in Den Haag neemt het aantal complexe woonoverlastzaken toe. Zo geeft een casemanager van de gemeente aan dat voor meer dan tachtig procent van de overlastadressen die hij bezoekt, psychiatrie-gerelateerde problemen een rol spelen. “Er zit tegenwoordig altijd meer achter”, vertelt Stemfoort. “Geluidsoverlast bijvoorbeeld, dat is slechts een uiting van een groter probleem. Mensen die hun stereo hard zetten omdat ze nou eenmaal vinden dat dat kan, zie je niet zoveel meer.”
Soms spelen meerdere van dit soort problemen tegelijkertijd, bijvoorbeeld in het Skaeve Huse-project, een bijzondere vorm van begeleid wonen die is overgewaaid uit Denemarken: mensen die overlast veroorzaken (vaak vanuit psychiatrische problematiek) worden in speciaal ingerichte containers gehuisvest. Sinds maart wil Den Haag tien van dit soort huisjes realiseren.
In de woonunits kunnen overlastgevers in theorie een stap terug nemen naar de samenleving, om vervolgens weer te resocialiseren. “Maar dat project stagneert nu,” zegt Stemfoort, “omdat ze daarna weer een andere woning moeten hebben. Nu blijven ze vaak in die containers zitten, waar ze vervolgens ook weer overlast veroorzaken.”
Het uitgangspunt van de Haagse Aanpak is niet alleen het bestrijden van overlast, maar ook het realiseren van een gedragsverandering. “Onze instelling is nooit: we gaan je eruit zetten”, zegt Stemfoort. “Maar als je het dan toch op een effectieve manier wil oplossen, heb je elkaar keihard nodig. Als iemand vanuit ziekte of verslaving overlast veroorzaakt is onze vraag: hoe kunnen we iemand helpen, zodat diegene eerst aan zijn/haar verslaving werkt, en zo een gedragsverandering kan doormaken?”
Den Haag heeft met hun Haagse Aanpak Woonoverlast een voorbeeldfunctie voor veel andere gemeenten. “We organiseren overleggen met de grote vijf steden: Utrecht, Amsterdam, Rotterdam en Eindhoven, met de intentie om van elkaar te leren”, zegt Stemfoort trots. “We proberen ook andere gemeenten mee te nemen in onze aanpak. Je kan als grote stad makkelijk het voortouw nemen.”
Zo leren andere gemeentes van de Haagse Aanpak, waarbij ze hun manier van regie nemen als voorbeeld gebruiken. “De kracht van Den Haag zit niet in één instrument, maar in een goed georganiseerd systeem met regie, samenwerking en maatwerk rond de casus”, vertelt Stemfoort.
La Paglia en Stemfoort zijn hoopvol voor de toekomst, maar achteroverleunen kunnen ze nog lang niet. “De samenwerking is goed georganiseerd, maar die moeten we ook zien vast te houden”, zegt La Paglia. “We hebben allemaal ons aandeel te leveren in het oplossen van burenruzies, ook de burger zelf.”
Alle moeite van instanties ten spijt: in de straat in Zwolle waar de zorgwoning staat is er nog steeds overlast. Een student in het huis direct naast het pand kent de situatie maar al te goed. “Ik zit er gelukkig niet pal naast, dus in mijn kamer is het altijd rustig. Maar je hoort de muziek van boven dwars door de muur heen. Ik kan me niet voorstellen hoe irritant dat is als je daar direct naast zit.”